ECLI:NL:CRVB:2019:1460

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2016, 16/997 (aangevallen uitspraak 1) en 9 mei 2017, 16/4058 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 mei 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 (hoger beroep 1, zaak 16/8116 ZW).

Namens appellant heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2 (hoger beroep 2, zaak 17/4418 WIA).

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

In hoger beroep 1 heeft appellant nadere stukken overgelegd en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 27 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mrs. Gümüs en A.M.P.M. Adank, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was tot 5 april 2013 werkzaam in een eenmanszaak, [eenmanszaak] , op het gebied van leveren, verkopen en monteren van kozijnen. Hij heeft dit bedrijf op 5 april 2013 verkocht aan [BV] , het bedrijf van zijn toen 18-jarige dochter [naam dochter] , die het heeft voortgezet onder de naam [naam werkgeefster] (werkgeefster). Appellant en werkgeefster, voor wie [naam dochter] optrad, hebben op 1 april 2013 een overeenkomst ondertekend, arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd genoemd, waarin onder meer is bepaald dat appellant met ingang van 1 april 2013 in de functie binnen/buitendienst in dienst trad van werkgeefster. Appellant heeft zich op 3 september 2013 ziek gemeld. Werkgeefster is op 24 december 2013 failliet verklaard. Appellant heeft hierop het Uwv verzocht om de betalingsverplichtingen van werkgeefster jegens hem over te nemen op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW), de zogenoemde faillissementsuitkering. Bij besluit van 4 februari 2014 heeft het Uwv appellant een voorschot toegekend op de door hem gevraagde uitkering. Bij besluit van 3 maart 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 13 februari 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend, welke uitkering na een eerstejaars herbeoordeling is voortgezet per 5 oktober 2014. Bij besluit van 11 april 2014 heeft het Uwv de faillissementsuitkering van appellant vastgesteld op € 18.391,46.1.2.

Naar aanleiding van informatie van de curator dat mogelijk sprake is geweest van een constructie om appellant een uitkering te bezorgen, waarbij de dochter van appellant is aangesteld als bestuurder, maar appellant zelf feitelijk werkgever was, heeft het Uwv een onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de ZW– en de faillissementsuitkering van appellant. Op basis van de resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 10 februari 2015, heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat tussen appellant en werkgeefster geen gezagsverhouding heeft bestaan, waardoor geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en appellant niet verzekerd is geweest voor de ZW en de WW. Dit heeft geleid tot de volgende besluiten.1.3.

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 13 februari 2014 en een over de periode van 13 februari 2014 tot en met 22 februari 2015 aan appellant betaald bedrag aan ZW-uitkering van € 30.341,74 als onverschuldigd betaald van hem teruggevorderd.1.4.

Bij besluit van 16 april 2015 heeft het Uwv de faillissementsuitkering ingetrokken en van appellant het aan hem uitgekeerde bedrag van € 18.391,46 teruggevorderd.1.5.

Bij besluit van 30 november 2015 heeft het Uwv de aanvraag van appellant van 25 november 2015 om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat appellant op 3 september 2013, de eerste ziektedag, geen dienstverband had en daarom niet verzekerd was.1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 4 januari 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 maart 2015 en 16 april 2015 tot intrekking en terugvordering van zijn ZW– en faillissementsuitkeringen ongegrond verklaard.1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 10 mei 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 november 2015 tot weigering van de WIA‐uitkering ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen beide bestreden besluiten.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoeksrapport van het Uwv voldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat geen sprake is geweest van verzekeringsplicht van appellant op grond van een dienstbetrekking bij werkgeefster. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd om tegenbewijs te leveren.3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald dat hij arbeid heeft verricht voor en loon heeft ontvangen van werkgeefster en dat tussen werkgeefster en hem ook sprake is geweest van een gezagsverhouding, waarmee aan alle voorwaarden voor het bestaan van een dienstbetrekking is voldaan. Appellant heeft ter onderbouwing van de gestelde gezagsverhouding betoogd dat zijn dochter opdrachten binnenhaalde en de werkzaamheden van hem en de andere werknemers bepaalde, waarbij hij de minder ervaren werknemers aanwijzingen gaf met betrekking tot de uitvoering. Appellants dochter controleerde de werkzaamheden en gaf zo nodig opdracht om aanpassingen uit te voeren. Zij bepaalde ook de werktijden en de noodzaak van overwerk. Appellant heeft met klem ontkend dat hij feitelijk de leiding had bij werkgeefster, dan wel verantwoordelijk is geweest voor de administratie of contacten met overheidsinstanties. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft appellant gewezen op een aantal verklaringen van opdrachtgevers. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat er dringende redenen zijn, gelegen in zijn financiële situatie, om van terugvordering af te zien.3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

168116 ZW

4.1.1.

Artikel 3 van de ZW bepaalt dat werknemer is de natuurlijke persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Artikel 3 van de WW bevat eenzelfde bepaling.4.1.2.

Op grond van de artikelen 30a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de ZW en 22a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt hij dat in indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.4.1.3.

Op grond van de artikelen 33, eerste lid, van de ZW en 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in de in 4.1.2 genoemde artikelen onverschuldigd is betaald, teruggevorderd.4.1.4.

Indien daarvoor dringende redenen zijn kan het Uwv op grond van de artikelen 33, vijfde lid, van de ZW en 36, vijfde lid, van de WW van terugvordering afzien.4.2.

Het geschil tussen partijen betreft in de eerste plaats de vraag of appellant werknemer is geweest in de zin van artikel 3 van de ZW en artikel 3 van de WW. Voor het antwoord op de vraag of appellant tot werkgeefster in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan is maatgevend of tussen hem en werkgeefster sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel omschrijft de arbeidsovereenkomst als een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Bepalende criteria zijn dus het verrichten van arbeid, het betalen van loon en het uitoefenen van gezag. Bij de beantwoording van de vraag of een rechtsverhouding beantwoordt aan deze criteria moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen hebben gestaan, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en zo daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3487).4.3.1.

Vooropgesteld wordt dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat tussen appellant en werkgeefster geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW. Indien het Uwv in deze bewijslast slaagt ligt het op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 7 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4921).4.3.2.

Het Uwv heeft zijn standpunt dat appellant tot werkgeefster niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan in bestreden besluit 1 als volgt gemotiveerd:

“Uit dossieronderzoek is naar voren gekomen dat de afdeling Handhaving heeft vastgesteld, op basis van een fraudeonderzoek, dat u geen werknemer bent geweest. De dienstbetrekking waarin u werkzaamheden heeft verricht vertoonde niet alle kenmerken van een arbeidsovereenkomst.

U verrichtte, voor zover dat medisch mogelijk was wel zelf de arbeid en u ontving ook loon. Er was echter geen sprake van een gezagsverhouding tussen u en uw dochter. De huurovereenkomst, de verzonden e-mails en brieven aangaande de correspondentie tussen u en uw leveranciers en tussen u en uw klanten en de verklaringen van uw ex‐werknemers stellen vast dat er geen sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen u en uw dochter.

Hierdoor was er geen sprake van een arbeidsovereenkomst en een dienstbetrekking bij [naam werkgeefster] (…).”4.3.3.

Uit het onderzoeksrapport blijkt, en appellant heeft erkend, dat appellant met zijn ruime ervaring in het monteren van kozijnen functioneerde als meewerkend voorman en daardoor een centrale rol vervulde bij de uitvoering van de werkzaamheden. Voor leveranciers, werknemers en andere zakenrelaties was hij het aanspreekpunt. Daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat appellant feitelijk de leiding had bij werkgeefster en ten opzichte van haar niet in een gezagsverhouding stond. Voor die aanname is ook inzicht nodig in de verhouding tussen appellant en werkgeefster, waarbij van belang is op welke wijze zij uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en daaraan inhoud hebben gegeven. Nu het hier gaat om een rechtsverhouding tussen een 18-jarige dochter en haar vader, waarbij laatstgenoemde beschikte over de inhoudelijke vakkennis, is met name de wijze waarop de dochter jegens appellant invulling gaf aan het werkgeverschap van belang. De bij het rapport gevoegde correspondentie tussen appellant en leveranciers en klanten bevat hierover geen informatie. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van ex-werknemers van werkgeefster. De dochter van appellant is niet gehoord en ook overigens bevinden zich van haar in het dossier hierover geen verklaringen. Het gegeven dat de huurovereenkomst van het pand waarin werkgeefster was gevestigd op naam van appellant stond vormt weliswaar een aanwijzing dat appellant feitelijk de leiding had bij werkgeefster, maar is in het licht van het feit dat werkgeefster in hetzelfde pand was gehuisvest als [eenmanszaak] , waarvoor appellant het huurcontract had afgesloten, en dat is nagelaten om het contract aan te passen, onvoldoende voor de conclusie dat tussen appellant en werkgeefster geen gezagsverhouding heeft bestaan.4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het onderzoeksrapport onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het standpunt van het Uwv dat appellant wegens het ontbreken van een gezagsverhouding niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot werkgeefster. Bestreden besluit 1 is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat aangevallen uitspraak 1 niet in stand kan blijven, dat bestreden besluit 1 moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het Uwv een nieuwe beslissing moet nemen op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 maart 2015 en 16 april 2015.

174418 WIA

4.5.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet WIA is de werknemer verplicht verzekerd. Onder werknemer wordt op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA, voor zover van belang, verstaan de werknemer in de zin van de ZW.4.6.1.

Omdat appellant een WIA-uitkering heeft aangevraagd is het in beginsel aan hem om aannemelijk te maken dat hij als werknemer werkzaam is geweest.4.6.2.

Bestreden besluit 2 is als volgt gemotiveerd:

“Wij hebben geen nieuwe feiten/omstandigheden ontdekt dan die op 4 januari 2016 ten tijde van het afgeven van de beslissing op bezwaar inzake 181320836-BB-003 V al bekend waren bij ons inzake de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen namelijk onder andere; u fungeerde als tussenpersoon tussen uw dochter- eigenaar van [naam werkgeefster] – en de medewerkers. U stuurde de medewerkers aan en u was tevens het aanspreekpunt voor hen. U heeft ons te kennen gegeven dat u uw dochter zou inwerken – dit duidt op een afhankelijkheid van uw dochter als werkgever ten opzichte van u. Voorts blijkt uit onze gegevens dat u communiceerde met het [naam kantoor] in plaats van uw dochter. Ook blijkt uit onze gegevens dat u op 10 juli 2013 bij een particuliere verzekeringsmaatschappij voor [naam werkgeefster] een ziekengeldverzekering heeft aangevraagd voor uzelf en u zich als contactpersoon naar buiten toe kenbaar heeft gemaakt in plaats van uw dochter. Daarnaast hebben diverse (ex-) werknemers te kennen gegeven dat u opdrachten uitdeelde en u ze aan heeft genomen bij [naam werkgeefster] . Voorgaand strookt niet met werkzaamheden van u als medewerker binnen- en buitendienst. U heeft namelijk te kennen gegeven dat uw taken o.a. waren kozijnen inmeten en bestellen, coördineren, opleveren en monteren. Ook hebben wij nergens uit op kunnen maken ter bewijsvoering dat uw werkzaamheden werden geëvalueerd of dat u ter verantwoording bent geroepen met betrekking tot de wijze waarop u de werkzaamheden uitvoerde. Dit is wel gebruikelijk als er arbeid wordt verricht bij een bedrijf. Gelet op voorgaand komen wij tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is van een gezagsverhouding. Er is geen sprake van een dienstbetrekking dat steunt op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.”4.6.3.

Appellant heeft onder meer weersproken dat zijn werkzaamheden niet werden geëvalueerd en dat hij niet ter verantwoording werd geroepen door werkgeefster. Dit zijn aspecten die aan de orde kunnen komen in een nader onderzoek naar de rechtsverhouding tussen hem en werkgeefster en de wijze waarop daaraan uitvoering werd gegeven in het kader van de nieuwe beslissing op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 maart 2015 en 16 april 2015. Niet uit te sluiten is dat dit nadere onderzoek tot de conclusie zal leiden dat geen gronden aanwezig zijn om de faillissementsuitkering en de ZW-uitkeringen die appellant heeft ontvangen in te trekken en terug te vorderen. Dit kan ook consequenties hebben voor de beoordeling van de verzekering van appellant op grond van de Wet WIA. Appellant heeft zich immers ziek gemeld vanuit een situatie waarin hij een uitkering op grond van de WW ontving. Artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW bepaalt dat als werknemer wordt beschouwd degene die krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW uitkering ontvangt. In zijn uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2049, heeft de Raad, onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van 11 april 1990, ECLI:NL:CRVB:1990:AK9007, overwogen dat uit dat artikelonderdeel niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat in alle gevallen waarin geen aanspraak op uitkering krachtens de WW bestaat, doch wel feitelijk wordt ontvangen, de betrokkene krachtens artikel 7 van de ZW als werknemer dient te worden beschouwd. Artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW staat er niet aan in de weg dat aan een betrokkene (alsnog) aanspraken op grond van de ZW (kunnen) worden ontzegd in gevallen waarin WW-uitkering is betaald en ontvangen, terwijl de titel van deze betalingen – achteraf gezien – is gebleken te ontbreken. Het ontbreken van een titel moet blijken uit de herziening van het besluit tot toekenning van een uitkering op grond van de WW (zie ook de uitspraak van de Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6690). Indien de uitkomst van het nadere onderzoek van het Uwv is dat geen gronden aanwezig zijn om het besluit tot toekenning van de faillissementsuitkering te herzien, dan volgt uit artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW en de rechtspraak van de Raad dat appellant als werknemer verzekerd was bij het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid. Gelet hierop is de uitkomst van het nadere onderzoek in de ZW/WW‐zaak ook van belang voor de WIA-zaak. Gezien de samenhang tussen de aangevallen uitspraken en de bestreden besluiten, zullen daarom ook aangevallen uitspraak 2 en bestreden besluit 2 worden vernietigd en zal het Uwv worden opgedragen ook een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 november 2015, en daarin een nadere motivering op te nemen over de vraag of sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW.4.7.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.6.3 slagen de hoger beroepen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil is aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellant slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze worden per gemachtigde begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep aan kosten van rechtsbijstand. In totaal dient het Uwv dus tweemaal € 2.048,-, ofwel € 4.096,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

– vernietigt de aangevallen uitspraken;

– verklaart de beroepen tegen de besluiten van 4 januari 2016 en 10 mei 2016 gegrond en

vernietigt die besluiten;

– draagt het Uwv op nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

– bepaalt dat beroep tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar tegen

de besluiten van 9 maart 2015, 16 april 2015 en 30 november 2015 slechts bij de Raad kan

worden ingesteld;

– veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.096,-;

– bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.R. Trox

Leave a Reply:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *