Noodweerexces met illegaal wapen – arrest

Inleiding

In deze zaak speelde zich het volgende af. K. had J. bedreigd met de dood indien J. zich met de relatie met diens vriendin zou bemoeien. J. wist dat K. als gevaarlijk bekend stond. Om die reden was J., zonder daartoe een vergunning te hebben, een geladen pistool bij zich gaan dragen om zich te kunnen verdedigen voor het geval dat K. hem zou aanvallen. Op 11 maart 2001 had verdachte K.’s vriendin ontmoet in een café en had haar omstreeks 3.00 uur thuisgebracht. J. had zijn auto op enige afstand van het huis geparkeerd en was de woning van K. en diens vriendin ingegaan, nadat deze vriendin hem had verzekerd dat K., met wei zij relatieproblemen had, 2 weken bij zijn broer logeerde en haar gezegd had haar gedurende deze periode met rust te laten. J. die nog over een sleutel van de woning beschikte, had de deur van de woning van binnen op het nachtslot gedaan, en was met de K.’s vriendin naar de slaapkamer op de eerste verdieping gelopen. Kort daarop had K. aangebeld; K.had daarna onmiddellijk de deur van de woning ingetrapt en was met een grote snelheid de trap opgelopen. Toen J. dit rumoer hoorde besefte hij dat K. de woning was binnengedrongen, en had zijn pistool uit zijn jas, die op de zonnebank in de slaapkamer lag, gepakt en dit doorgeladen. Inmiddels was K. boven aangekomen en had hij zijn vriendin met geweld opzij geduwd en kwam hij met een dolk in zijn hand de slaapkamer, waar J. zich bevond, binnen. J. had toen 2 maal kort achter elkaar in de richting van K. geschoten.

De essentiële vraag luidt hier of J. al dan niet een beroep op Noodweer(exces) ex artikel 41 Wetboek van Strafrecht toekomt.

Noodweer(exces)

Noodweer

De rechtvaardigingsgrond Noodweer (art. 41 lid 1 Sr) is een recht tegen onrecht. Een succesvol beroep hierop zal leiden tot verval van de wederrechtelijkheid; er zal vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgen afhankelijk van het feit of wederrechtelijkheid al dan niet een bestanddeel is van de delictsomschrijving.[1]

Om een geslaagd beroep op noodweer te kunnen doen, moet er aan een vijftal vereisten worden voldaan.

In de 1ste plaats moet er sprake zijn van een aanranding. Dit kunnen zowel een feitelijke aantasting van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed zijn, als de gedragingen die een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor opleveren (Zie HR 2 februari 1965, NJ 1965, 262 en HR 30 maart 1976, NJ 1976, 322). ‘Het alleen bevreesd zijn voor een aanranding recht-vaardigt nog geen verdedigingsactie’ (Zie HR 8 februari 1932, NJ 1932, 617,  HR 8 januari 1974, NJ 1974, 131 en HR 24 juni 1975, NJ 1976, 60).[2]

In de 2de plaats moet er sprake zijn van een ogenblikkelijke aanranding. ‘Een noodweer handeling is pas toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen.’ Er kan niet meer van een verdediging worden gesproken bij een meer in de tijd verwijderde dreiging. Ook vervalt het verdedigingsrecht wanneer de aanranding een einde heeft genomen (Zie HR 26 april 1977, NJ 1978, 179). [3]

In de 3de plaats moet er sprake zijn van een wederrechtelijk aanranding. Volgens Wemes kan van een wederrechtelijk ogenblikkelijke aanranding slechts sprake zijn als die aanranding uitgaat van een persoon (Zie HR 29 maart 1988, NJ 1989, 162 en HR NJ 1989, 212) hetzij rechtstreeks, hetzij middellijk. [4]

In de 4de plaats dient er sprake te zijn van een noodzakelijke verdediging (proportionaliteit). Voor Noodweer dient er een evenwicht te bestaan in de verhouding tussen gekozen verdedigingsmiddel en het aangerande rechtsbelang. [5]

In de 5de plaats dient er sprake te zijn van een geboden verdediging (subsidiariteit). Volgens Kelk dient men voor de verdediging gebruik te maken van het minst belastende middel. [6]

Noodweerexces

  • Algemeen

De schulduitsluitingsgrond Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr) is een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Een succesvol beroep hierop zal leiden tot verval van de schuld. Er zal vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgen, maar afhankelijk van het feit of de schuld al dan niet een bestanddeel is van de delictsomschrijving.[7]

  • Vereisten       

Om een geslaagd beroep op Noodweerexces te kunnen doen, moet er aan de volgende tweetal vereisten worden voldaan. In de 1ste plaats dient er sprake te zijn van een Noodweersituatie. In de 2de plaats veronderstelt Noodweerexces een dubbele causaliteit; de aanval moet bij de aangevallene een hevige gemoedsbeweging veroorzaken; uit deze hevige gemoedsbeweging moet de excessieve reactie te verklaren zijn.[8] In dit verband staat het mensbeeld van de ge-middelde normale mens centraal, waarbij het een algemene feit van algemene bekendheid is dat iedereen, hoe normaal reagerend doorgaans ook, wel eens door schrik of angst in een onverwachte heftige emotionele toestand terecht kan komen. Daarvoor moet dan wel een plausibele oorzaak zijn gelegen in de aanranding door een ander. Ook speelt eventueel de Gerantenstellung een rol bij de beoordeling van de Vraag of de noodweerexces inderdaad disculpeert. Tegen deze achtergrond beziet men het volgende verschil. Een caféhouder die bij een fikse ruzie in zijn café gaat schieten heeft niet snel een grond voor noodweerexces, omdat hij uit hoofde van zijn positie en ervaring geacht moet worden bij caféruzies het hoofd koel te houden en zich te beheersen, zodat hij de ruzie langs andere wegen zal weten te bedwingen. Daarentegen zal de persoon die in doodsangst voor zijn dominante broer op deze schiet omdat de politie, hoewel gewaarschuwd, niet arriveert eerde een beroep op noodweerexces hebben. [9]

  • Intensieve – en extensieve noodweer exces.

Men onderscheidt twee typen noodweerexces, te weten intensief – en extensief noodweer-exces.

Intensief noodweerexces houdt in, dat de aangevallene als gevolg van een hevige gemoedsbeweging direct te hard van stapel loopt en te zwaar afweergeschut in stelling brengt. Het ver-onderstelt dus het bestaan van een noodweer situatie, die er ook nog is op het moment van de excessieve reactie.

Een standaard voorbeeld is het arrest HR 23 oktober 1984, NJ 1986, 56 (Bijlmer noodweerarrest). In deze zaak speelde zich het volgende af. Een stewardess, wonende in een als ongunstig bekendstaande Amsterdamse buurt, was reeds eerder overvallen en had zich om die reden – zonder een vergunning daartoe te hebben – van een vuurwapen verzekerd. Toen ze door twee mannen werd overvallen verweerde zij zich door met het wapen te schieten, waardoor één der mannen werd gedood.

Het Hof had met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten geoordeeld: a) dat gebruik van het pistool (waarmee het Hof bedoelt het daarmee schieten) voor de verdachte geboden was ter verdediging van eigen lijf en goed tegen “een onmiddellijk dreigend gevaar”, dat naar mening van het Hof een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding opleverde; b) dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke zelfverdediging had overschreden, door R. in de borst en G. in de rechter long te schieten, doch dat dit schieten het onmiddellijke gevolg was geweest van een door het optreden van R. en G. veroorzaakte hevige gemoedsbeweging; en c) dat mitsdien het beroep op noodweerexces opging en de verdacht dus niet strafbaar was, waaraan de onwettigheid van het wapenbezit van de verdachte niet afdeed. Zodoende ontsloeg het Hof haar van alle rechtsvervolging ter zake van doodslag en poging tot doodslag wegens noodweerexces, echter veroordeelde haar tot 1 maand voorwaardelijk gevangenis-straf en een geldboete op grond van verboden wapenbezit.

De Procureur – Generaal bij het Hof was het oneens met dit oordeel, en ging in cassatie bij de Hoge Raad. Het cassatiemiddel richtte zich tegen de overweging van het Hof, volgens welke het (onwettig) vuurwapenbezit de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging weliswaar mogelijk heeft gemaakt maar dit niet wegneemt dat verdachte had gehandeld in noodweerexces en uit dien hoofde was verontschuldigd. Hij betoogde o.a. dat wie ‘’zich van een (geladen) vuurwapen voorziet en daarmee in een geladen toestand rondloopt, dusdoende een bijzondere verantwoordelijkheid aanvaardt om van dat vuurwapen slechts evenredig en gepast gebruik te maken’. Volgens hem had het Hof op te lichtvaardige wijze noodweerexces aangenomen nu aan de capaciteiten van de stewardess om met een vuur-wapen om te gaan ernstig moest worden getwijfeld.

De Hoge Raad sloot zich echter aan bij het oordeel van het Hof en  verwierp zodoende het ingediende cassatiemiddel..

Extensieve noodweerexces houdt in, dat de aangevallene, die zich aanvankelijk adequaat verdedigt, als gevolg van een hevige gemoedsbeweging ‘doorschiet’, zodat in feite de zelfverdediging overgaat in een aanval die verder strekt dan waar de noodweersituatie in feite om vraagt; de noodweersituatie kan zelfs al niet meer bestaan terwijl de hevige gemoedsbeweging met alle gevolgen van dien nog ten volle doorwerkt. Het veronderstelt dus, dat de excessieve reactie zich manifesteert als de aanranding is afgewend en de noodweersituatie die er aanvankelijk was, dus is opgehouden te bestaan.

Een standaard voorbeeld is het arrest HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 511 (Ruzie te Loon op Zand arrest). In dit arrest speelde zich het volgende af.. Iemand was door een andere persoon gericht tussen de benen getrapt en geraakt aan de binnenzijde van zijn linker bovenbeen, waarop hij in een pure reflex, ter afweer, terug had geslagen.

Het Hof  achtte het niet aannemelijk, dat deze persoon ter noodzakelijke verdediging had teruggeslagen aangezien er geen vrees bestond voor een (herhaalde) aanranding door de ander. De Hoge Raad daarentegen oordeelde dat daarmee de mogelijkheid was overgebleven dat het terugslaan door betrokkene het onmiddellijke gevolg was geweest van een hevige gemoedsbeweging welke weer door het aanvankelijke schoppen was veroorzaakt. 

De Rechterlijke uitspraken

Rechtbank 27 november 2001.

Bij vonnis van 27 november 2001 had de Rechtbank geoordeeld, dat de J. zich niet kon beroepen op noodweer. Aan dit oordeel legt de Rechtbank de volgende argumentatie ten grond-slag. Volgens de Rechtbank had J., door midden in de nacht en gewapend met pistool, met K.’s vriendin mee te gaan naar haar huis en meer in het bijzonder naar haar slaapkamer, bewust het risico genomen dat K. hem daar zou zien en hem daar zou aanvallen, waarna J. zich genoodzaakt zou voelen op K. te schieten. Nu J. bewust de confrontatie met K. had ge-zocht, kon hij zich dus niet op Noodweer beroepen.

De uitspraak van het Hof.

Het Hof daarentegen acht, dat J. niet uit is geweest op een confrontatie met K. Dit had het Hof afgeleid uit de omstandigheden dat J. zijn auto op enige afstand van de woning geparkeerd had, zich er nadrukkelijk van vergewist had dat K. diens vriendin met rust zou laten en haar dus niet zou komen opzoeken en hij zekerheidshalve, hoewel J. ervan uit mocht gaan dat K. niet langs zou komen, de deur op het nachtslot had gedraaid.

Het Hof achtte het enkele feit dat J. met K’s vriendin de woning was binnengegaan en daarbij zijn (geladen) pistool had meegenomen niet zodanig onvoorzichtig, laat staan rechtens laakbaar, dat hem op die basis een beroep op noodweer moest worden ontzegd. Daarbij nam het Hof in aanmerking, dat een andere opvatting zou impliceren dat een jaloers en gewelddadige minnaar zou kunnen bewerkstelligen dat het object van zijn jaloezie in een sociaal isolement terechtkomt, omdat andere uit vrees voor zijn jaloezie en agressie haar links zou-den laten liggen, (mede) omdat zij zich tegen die agressie, indien noodzakelijk, niet zou mogen verdedigen. Volgens het Hof maakte de enkele omstandigheid dat J. zich ter noodzakelijke verdediging tegen een mogelijke aanval tevoren van een illegaal wapen had voorzien, zulks niet anders.

Het Hof achtte aannemelijk dar er sprake was van een onmiddellijke dreigende wederrechtelijke aanranding door K. Op het moment dat J. schoot, was K. hem genaderd tot een afstand van ongeveer 0,5 tot 1,5 meter met een dolkmes in zijn hand. J. bevond zich in een kleine ruimte zonder andere uitgang dan de deur en kon geen kant op. Hij had dus geen andere mogelijkheid om zich tegen die onmiddellijk dreigende aanranding te verdedigen dan door in de richting van K. te schieten. Dit oordeel wijzigde niet nu K. was overleden als gevolg van een schotwond in de linkerkant van zijn rug.

Het Hof was evenwel van oordeel, dat J. had nagelaten alternatieve middelen te beproeven om de onmiddellijk dreigende aanval van het slachtoffer te pareren, immers J. had direct in de richting van K. geschoten. Volgens het Hof had J. eerst een waarschuwingsschot moeten lossen en, indien dat niet afdoende was, K. in een minder vitaal lichaamsdeel, bijvoorbeeld zijn been, had moeten schieten. J. had de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden, door in de richting van K. te schieten zonder zich te bekommeren waar hij dit zou raken. Om die reden werd door het Gerechtshof Den Haag het beroep op Noodweer verworpen.

Door het Hof werd wel Noodweerexces aangenomen. Aannemelijk was namelijk geworden, dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke ge-volg was geweest van een hevige gemoedsbeweging van J. die door de onmiddellijke dreigende wederrechtelijke aanranding van K. was veroorzaakt. J. was volledig in paniek geraakt toen K. met geweld de woning binnenkwam en dreigend met een mes op J., die geen kant meer op kon, afliep.

De uitspraak van de Hoge Raad.

Tegen het oordeel van het Haagse Hof werd vervolgens in Cassatie gegaan bij de Hoge Raad der Nederlanden. Het middel behelsde de klacht, dat het Hof ten onrechte het door J. gedane beroep op noodweerexces had gehonoreerd, nu J. zich doelbewust had begeven in een situatie waarin hij het risico van een aanval kende, althans daarmee ernstig rekening hield.

Volgens A-G Fokkens betekende de enkele omstandigheid dat J. zich bewust was van het risico van een aanval van K. niet dat J. een beroep op noodweer(exces) verspeelt, door zich in een situatie te begeven waar dat risico zich wellicht zou kunnen voordoen. Volgens de A-G is immers cruciaal of verdachte door zijn handelen de confrontatie bewust had opgezocht dan wel het gevecht geïnitieerd had.

Ook oordeelde Fokkens, dat de omstandigheid, dat J. zich illegaal had voorzien van een vuurwapen, niet in de weg stond aan een beroep op noodweerexces. .

De Hoge Raad oordeelde, dat het oordeel van het Hof’ niet uitging van een onjuiste rechtsop-vatting.

Conclusie

Komt een verdachte een beroep op Noodweer(exces) toe ex artikel 41 Wetboek van Strafrecht, ondanks het feit dat hij gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen, zonder daartoe een vergunning te hebben? Het betreft hier een kwestie die centraal stond in het Bijlmer Noodweer, en tevens centraal staat in Noodweer met illegaal wapen.

In Bijlmer Noodweer betrof het een stewardess, wonende in een als ongunstig bekendstaande Amsterdamse buurt, was reeds eerder overvallen en had zich om die reden – zonder een vergunning daartoe te hebben – van een vuurwapen verzekerd.

In Noodweer met illegaal wapen daarentegen had het slachtoffer verdachte met de dood bedreigd indien verdachte zich met de relatie met diens vriendin zou bemoeien. Verdachte wist dat het slachtoffer als gevaarlijk bekend stond. Om die reden was verdachte, zonder daartoe een vergunning te hebben, een geladen pistool bij zich gaan dragen om zich te kun-nen verdedigen voor het geval dat het slachtoffer hem zou aanvallen.

Wat betreft het beroep op de strafuitsluitingsgronden Noodweer en Noodweerexces wordt er op een soortgelijke wijze door het Hof en de Hoge Raad geredeneerd. Er werd vanuit gegaan, dat er sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar, die een ogenblikkelijk wederrechtelijke aanranding opwekte, maar dat een beroep op de rechtvaardigheidsgrond Noodweer niet gehonoreerd kon worden, nu verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging had overschreden. Desalniettemin werd in beide zaken wel het beroep op Noodweerexces gehonoreerd, nu aannemelijk was geworden, dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg was geweest van een hevige gemoedsbeweging van verdachte die door de onmiddellijke dreigende wederrechtelijke aanranding van het (de) slachtoffer(s) was (waren) veroorzaakt. Volgens het Hof en de Hoge Raad maakte de enkele omstandigheid dat verdachte zich ter noodzakelijke verdediging tegen een mogelijke aanval tevoren van een illegaal wapen had voorzien, zulks niet anders.


[1] Koopmans, F.A.J., Het beslissingsmodel van 348/ 350 Sv, p. 53 – 54

[2] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[3] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[4] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[5] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[6] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[7] Koopmans, F.A.J., Het beslissingsmodel van 348/ 350 Sv, p. 53 – 54

[8] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev

[9] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

Leave a Reply:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *