(Putatieve) Noodweer arrest

Inleiding

In de nacht van 15 op 16 februari werd persoon A op verdenking van drugs door twee politieambtenaren van het Korps Haaglanden ter controle aangehouden. Alvorens de controle kon plaatsvinden had één der agenten (de schutter) gericht op persoon A geschoten en hem daarbij ernstig verwond. Omtrent dit incident bestaan twee lezingen.

De lezing van persoon A luidt. Persoon A beweert dat hij was aangehouden in het restaurant M, dat hij zich daarna gewillig naar buiten liet leiden, en dat hij zich niet verzet had tegen de controle. A geeft aan, dat toen zijn jas openviel de desbetreffende schutter de gesp van A’s riem zag die de vorm had van een pistool. Volgens A vroeg de schutter hem wat hij daar had en had hij A gesommeerd het neer te leggen. A beweert, dat hij daarop de riem losgemaakt had teneinde hem te kunnen neerleggen, en dat hij gezegd had dat het een riem was. Toen persoon A zag dat de schutter zijn dienstpistool trok en het op hem gericht hield, had hij tegen de schutter geroepen: “Niet schieten, niet schieten”. Vervolgens werd A toch door de schutter neergeschoten.

De lezing van Korps Haaglanden is daarentegen heel anders. Zij beweert namelijk, dat toen persoon A ter controle werd aangehouden zijn houding juist erg agressief was en dat hij zich hevig verzette tegen de controle. Hij scheen de hand van de schutter weggeslagen te hebben toen deze hem wilde meenemen naar het politiebureau. Daarbij was de jas van persoon A open gewaaid en meende de schutter een pistool te zien. De schutter had vervolgens gewezen op het “vuurwapen” en had aan persoon A gevraagd wat hij daar had. Volgens Haaglanden had A zijn jas dichtgeslagen, zijn hand op het “vuurwapen” gelegd en had hij diverse keren gezegd: “Ik ga jou doodschieten.” Dit laatste bleef persoon A herhalen terwijl hij zijn jas open deed en het “vuurwapen” en zijn handen beetpakte. Vervolgens zag de schutter, dat het wapen op hem werd gericht. Hierdoor voelde de schutter zich zodanig bedreigd en trok zodoende zijn wapen, waarbij hij tegen persoon A had geroepen “Doe normaal en doe dat ding weg”. Persoon A reageerde daar niet op doch bleef het “vuurwapen” op de schutter richten en roepen dat hij de schutter zou doodschieten. Vervolgens had de schutter 1 maal op persoon A geschoten.

Tussen de twee partijen staat nu vast, dat persoon A niet over een vuurwapen beschikte en dat hetgeen de schutter daarvoor aanzag de gesp was uitgevoerd in de vorm van een pis-tool.

De rechtsvraag luidt vervolgens of er aan de schutter een beroep op Noodweer toekomt?

Noodweer (exces)

Noodweer

De rechtvaardigingsgrond Noodweer (art. 41 lid 1 Sr) is een recht tegen onrecht. Een succesvol beroep hierop zal leiden tot verval van de wederrechtelijkheid; er zal vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgen afhankelijk van het feit of wederrechtelijkheid al dan niet een bestanddeel is van de delictsomschrijving.[1]

Om een geslaagd beroep op noodweer te kunnen doen, moet er aan een vijftal vereisten worden voldaan.

In de 1ste plaats moet er sprake zijn van een aanranding. Dit kunnen zowel een feitelijke aantasting van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed zijn, als de gedragingen die een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor opleveren (Zie HR 2 februari 1965, NJ 1965, 262 en HR 30 maart 1976, NJ 1976322). ‘Het alleen bevreesd zijn voor een aanranding recht-vaardigt nog geen verdedigingsactie’ (Zie HR 8 februari 1932, NJ 1932, 617,   HR 8 januari 1974, NJ 1974, 131 en HR 24 juni 1975, NJ 1976, 60).[2]

In de 2de plaats moet er sprake zijn van een ogenblikkelijke aanranding. ‘Een noodweer handeling is pas toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen.’ Er kan niet meer van een verdediging worden gesproken bij een meer in de tijd verwijderde dreiging. Ook vervalt het verdedigingsrecht wanneer de aanranding een einde heeft genomen (Zie HR 26 april 1977, NJ 1978, 179). [3]

In de 3de plaats moet er sprake zijn van een wederrechtelijk aanranding. Volgens Wemes kan van een wederrechtelijk ogenblikkelijke aanranding slechts sprake zijn als die aanranding uitgaat van een persoon (Zie HR 29 maart 1988, NJ 1989, 162 en HR NJ 1989, 212) hetzij rechtstreeks, hetzij middellijk. [4]

In de 4de plaats dient er sprake te zijn van een noodzakelijke verdediging (proportionaliteit). Voor Noodweer dient er een evenwicht te bestaan in de verhouding tussen gekozen verdedigingsmiddel en het aangerande rechtsbelang. [5]

In de 5de plaats dient er sprake te zijn van een geboden verdediging (subsidiariteit). Volgens Kelk dient men voor de verdediging gebruik te maken van het minst belastende middel. [6]

Noodweerexces

De schulduitsluitingsgrond Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr) is een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Een succesvol beroep hierop zal leiden tot verval van de schuld. Er zal vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgen, maar afhankelijk van het feit of de schuld al dan niet een bestanddeel is van de delictsomschrijving.[7]

Om een geslaagd beroep op Noodweerexces te kunnen doen, moet er aan de volgende tweetal vereisten worden voldaan. In de 1ste plaats dient er sprake te zijn van een Noodweersituatie. In de 2de plaats veronderstelt Noodweerexces een dubbele causaliteit; de aanval moet bij de aangevallene een hevige gemoedsbeweging veroorzaken; uit deze hevige gemoedsbeweging moet de excessieve reactie te verklaren zijn.[8]

Putatieve Noodweer(exces)

Volgens Wemes wordt er onder verstaan het geval dat men abusievelijk in de veronderstelling leeft zich te moeten verdedigen danwel zich te mogen verdedigen: het dreigend gevaar is ingebeeld of er bestaat een onjuiste opvatting over de uitleg van de noodweerregeling. Volgens Kelk verstaat echter onder putatieve noodweer(exces) de situatie, dat men zich op goede gronden aangerand waant, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is. Indien men inderdaad excuseerbaar dwaalt, dan kan men volgens hem een beroep doen op AVAS ter zake van putatieve noodweer(exces).[9]

Uit het bovenstaande blijkt, dat er dus in de doctrine geen eenstemmigheid bestaat over de vraag wanneer een Noodweer al dan niet als putatief moet worden bestempeld. Indien men de noodweerhandeling beziet vanuit het (subjectief) inzicht dat de dader van de situatie had tempori delicti, dan zal in meer gevallen van een noodweerachtige situatie kunnen worden gesproken, dan indien de situatie doorslaggevend wordt geacht zoals die (ex post) in (de objectieve) werkelijkheid bleek te hebben bestaan. Volgens Wemes wordt aangenomen dat de Rechter de nodige soepelheid in acht zal nemen en geneigd zal zijn enige subjectivering bij de beoordeling van de noodweersituatie te betrachten. Het zal er in de praktijk niet ver aflig-gen dat de Rechter als uitgangspunt zal nemen de voorstelling die de dader redelijkerwijs mag maken van de situatie waarin hij verkeert.[10]

De rechterlijke uitspraken

Het oordeel van de Rechtbank

In de 1ste plaats overwoog de Rechtbank,dat de schutter zich in een situatie bevond waarin hem een beroep op noodweer toekwam, aangezien hij in de geschetste omstandigheden kon en mocht oordelen dat zijn leven ernstig bedreigd was. Volgens de Rechtbank werd daardoor zijn handelen uit zelfverdediging gerechtvaardigd.

In de 2de plaats overwoog de Rechtbank, dat een mogelijke onjuiste waarneming van de politieambtenaren voor risico van persoon A diende te blijven, aangezien hij zich ’s nachts, dus bij donker zodat men aan heeft of bij zich draagt slecht zichtbaar is, in een zogenaamd noodgebied bevond met een riem om, waarvan de gesp zo vorm gegeven was dat die de in-druk wekte dat hij een vuurwapen bij zich droeg. De Rechtbank oordeelde dat persoon A zich zelf in de positie gebracht had, dat hij een controle toezichthoudende politieambtenaren er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat hij in het bezit was van een echt vuurwapen en hem op die wijze zou bejegenen.

Oordeel van het Gerechtshof

Het gerechtshof oordeelde, dat als uitgangspunt het volgende heeft te gelden. Een politieagent, die in de uitoefening van zijn functie een pistoolschot lost op een burger en deze daardoor verwondt, handelt onrechtmatig jegens de burger, tenzij daarvoor een rechtvaardiging bestond.

Het Korps Haaglanden beriep zich primair op een rechtvaardigingsgrond, omdat de schutter zou hebben gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41 lid 1 SV. Het beriep zich subsidiair op AVAS op grond van Putatieve Noodweer, omdat de schutter er redelijkerwijs vanuit mocht gaan, dat zijn leven werd bedreigd ook al was dat in feit niet het geval.

Het Hof oordeelde, dat het beroep van Korps Haaglanden op Noodweer in de zin van artikel 41 lid 1 SV faalt. Volgens het Hof was naar objectieve maatstaven gemeten van aanranding van het lichaam van de schutter of van dreiging daarmee geen sprake. Er zou namelijk vast-staan, dat persoon A niet beschikte over een vuurwapen en dat voor zover persoon A al heeft gedreigd, hij dit slechts had gedaan met het op een pistool gelijkende gesp van zijn riem.

Het Hof oordeelde, dat degene die onrechtmatig handelde terwijl hij dwaalde ten aanzien van de rechtmatigheid van zijn handelen of bevoegdheid, weliswaar in beginsel een onrechtmatige daad pleegde die hem krachtens in het verkeer geldende normen kan worden toegerekend, ook indien de dwaling op zich zelf verschoonbaar zou zijn. Dit zou volgens het Hof anders zijn, indien het slachtoffer zelf de dader op verwijtbare wijze in die dwaling had ge-bracht. Het Hof overwoog, dat de stellingen die Korps Haaglanden in verband met haar beroep op putatief Noodweer had aangevoerd en waarvan zij bewijs had aangeboden, zouden impliceren dat persoon A de dwaling van de schutter op verwijtbare wijze had veroorzaakt. Zo had Korps Haaglanden o.a. aangevoerd, dat persoon A zich tegen de controle verzette en zich agressief gedroeg, dat persoon A de schutter bedreigde met een sterk op een vuurwapen lijkende gesp van zijn riem, en dat persoon geroepen had dat hij de schutter zou doodschieten. Deze stellingen moet het Korps Haaglanden nog wel met de nodige bewijs onderbouwen.

Conclusie

De vraag wanneer een Noodweer al dan niet putatief is, is nog steeds een zeer moeilijk te beantwoorden vraag.

Bestudeert men de literatuur, dan komt men tot de conclusie, dat er onder de rechtsgeleerden nog steeds geen eenstemmigheid bestaat over de vraag wanneer een Noodweer al dan niet als putatief moet worden bestempeld. Indien men de noodweerhandeling beziet vanuit het (subjectief) inzicht dat de dader van de situatie had tempori delicti, dan zal in meer gevallen van een noodweerachtige situatie kunnen worden gesproken, dan indien de situatie doorslaggevend wordt geacht zoals die (ex post) in (de objectieve) werkelijkheid bleek te hebben bestaan. Volgens Wemes wordt aangenomen dat de Rechter de nodige soepelheid in acht zal nemen en geneigd zal zijn enige subjectivering bij de beoordeling van de noodweersituatie te betrachten. Het zal er in de praktijk niet ver afliggen dat de Rechter als uitgangspunt zal nemen de voorstelling die de dader redelijkerwijs mag maken van de situatie waarin hij verkeert.

Ook in de rechtspraak, ontbreekt er eenstemmigheid omtrent de vraag wanneer een Noodweer al dan niet als putatief mag worden betiteld, hetgeen gebleken is uit de zonet behandelde tweetal rechterlijke uitspraken. Neemt men de uitspraak van het Haagse Hof als maatstaf, dan leidt dit tot de volgende gevolgtrekkingen. Volgens het Hof slaagt het beroep op Noodweer slechts, wanneer naar objectieve maatstaven gemeten van aanranding van het lichaam van de dader of van een dreiging daarmee sprake is. Is dit niet het geval, dan kijkt men of er sprake was van een Putatieve Noodweer. Inzake de Putatieve Noodweer oordeelt het Hof in die casus het volgende. Degene die onrechtmatig handelt terwijl hij dwaalt ten aanzien van de rechtmatigheid van zijn handelen of bevoegdheid, pleegt weliswaar een on-rechtmatige daad die hem krachtens in het verkeer geldende normen kan worden toegerekend, ook indien de dwaling op zich zelf verschoonbaar zou zijn. Dit zou volgens het Hof anders zijn, wanneer het slachtoffer de dader op verwijtbare wijze in die dwaling had ge-bracht.De dader dient daarvoor stellingen aan te voeren, die hij met goed bewijsmateriaal heeft onderbouwd.

De uitspraak van het Haagse Hof is voor mij geen definitieve maatstaf, omdat ik een Noodweerhandeling liever bezie vanuit het (subjectieve) inzicht dat de dader van de situatie had tempori delicti, dan vanuit de situatie zoals die (ex post) in (de objectieve) werkelijkheid bleek te hebben bestaan. Daar er in de doctrine meerderen deze mening met mij delen en er zich binnen deze categorie van de doctrine ook vele leden van de rechterlijke macht bevinden, zal er dus ook in de toekomst binnen de Rechterlijke macht geen eenstemmigheid bestaan omtrent de vraag wanneer er sprake is van Noodweer dan wel Putatieve Noodweer. Er blijft dus nog een hoop onduidelijk, hetgeen soms in het voordeel van een opsporingsambtenaar kan werken, maar ook in het nadeel.


[1] Koopmans, F.A.J., Het beslissingsmodel van 348/ 350 Sv, p. 53 – 54

[2] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[3] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[4] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[5] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[6] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev; Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 225-227

[7] Koopmans, F.A.J., Het beslissingsmodel van 348/ 350 Sv, p. 53 – 54

[8] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 273ev

[9] Kelk, C., Studieboek materiaal strafrecht, p. 284; Remmelink, p. 327-229;  Nijboer, J.F. & Cleiren, Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 231

[10] Tekst & Commentaar Strafrecht, aantekening van Wemes over strafuitsluitingsgronden, p. 231

Leave a Reply:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *