Wat zijn de mogelijkheden van strafrechtelijke vervolging van de overheden in de zaak Enschede? – Deel 3

De fouten van de overheidsinstanties in de Zaak Enschede

§3.1.    De fouten van Gemeente Enschede

In het Eindrapport valt te lezen, dat het College van Burgemeesters en Wethouders (B & W) bevoegd was ten aanzien van de verlening van bouw – en milieuvergunningen aan het bedrijf SE Fireworks, en dat zij tevens verantwoordelijk was voor toezicht en de handhaving ter zake. Gezien de van toepassing zijnde mandaatregelingen werden echter de handelingen in de praktijk volledig verricht door de ambtenaren van de Bouw – en Milieudienst van Gemeente Enschede. Binnen deze Bouw – en Milieudienst heeft enerzijds de afdeling Bouwbeheer de zorg voor de verlening van bouwvergunningen en anderzijds de afdeling Milieu de zorg voor de verlening van milieuvergunningen.[1]

Ten aanzien van de verlening van bouwvergunningen heeft de Gemeente onjuist gehandeld.

Ten eerste, toen de bouw van de allereerste vuurwerkbunkers niet werd uitgevoerd conform de tekeningen die deel uitmaakten van de op 19 oktober 1976 verleende bouwvergunning, trad de Gemeente niet op tegen SE Fireworks. Ook is niet gebleken dat ten tijde van de bouw van de bunkers enige controle op de naleving van de bouwvergunning was uitgevoerd.[2]

Ten tweede, toen het bedrijf begon met de opslag van vuurwerk in zogenoemde MAVO – boxen, die zonder een bouwvergunning waren geplaatst, trad Gemeente Enschede onjuist op, door bij brief aan te geven, dat er geen bezwaar bestond tegen deze wijze van opslag. De Gemeente had juist een verzoek moeten richten aan het bedrijf tot het aanvragen van een bouwvergunning voor deze MAVO – boxen.[3] 

Ten derde, toen het bedrijf zonder een bouwvergunning stalen zeecontainers plaatste op het terrein, had Gemeente Enschede een verzoek moeten richten aan het bedrijf tot het aanvragen van een bouwvergunning voor de desbetreffende containers. De Gemeente is in dat opzicht ernstig tekort geschoten. [4]

Ten aanzien van de verlening van milieuvergunningen heeft de Gemeente onjuist gehandeld.

Ten eerste, zowel de revisievergunning van 1997 als de tijdelijke veranderingsvergunning van 1999 hadden niet verleend mogen worden, omdat in beide gevallen de gevolgde procedure aan alle kanten rammelde. De vergunningaanvragen waren onvolledig, de adviezen van het Ministerie van Defensie werden niet opgevolgd, de publicatie was onzorgvuldig en de voorschriften waren onvolledig dan wel onjuist.[5]

Ten tweede, de Gemeente had de bestaande situatie aan de Tollenstraat voortdurend gelegaliseerd. Voor uitbreidingen van het bedrijf werd niet vooraf de vereiste toestemming van de Gemeentelijke overheid gevraagd en verleend, maar pas achteraf, dus nadat deze uitbreidingen feitelijk hadden plaatsgevonden.[6]

Ten derde, het toezicht van de Gemeente was in de loop der jaren ontoereikend geweest. Een fax uit 1997, door de Gemeente ontvangen via de politie, die wees op ernstige tekortkomingen bij SE Fireworks, leidt niet tot enige actie. Behoudens enkele incidentele bezoeken bleef het toezicht beperkt tot jaarlijkse “oudejaarscontroles”, die met name gericht waren op de opslag van consumentenvuurwerk. De Gemeente had dus geen rekening gehouden met de ontwikkelingen binnen het bedrijf in de richting van de handel in, en het bezigen van vrijwel alleen professioneel vuurwerk. De incidentele controleonderzoeken in 1993 en daarna hebben bovendien niet geleid tot enige handhavingactie, maar slechts tot de  mededeling aan het bedrijf dat een nieuwe vergunning moest worden aangevraagd. [7]  

In het Eindrapport wordt geconstateerd, dat tussen de onderdelen Bouwbeheer en Milieu een toereikende coördinatie ontbrak. Als gevolg hiervan leidden de door SE Fireworks ingediende aanvragen om een milieuvergunning niet tot enige actie van de zijde van de Gemeente op het punt van het aanvragen van de vereiste bouwvergunningen.[8]

§3.2.    De fouten van de Rijksoverheid

Uit het Eindrapport viel op te maken, dat de Rijksoverheid tekortgeschoten was in zowel haar rol van adviseur, vergunningverlener en toezichthouder als in haar rol van (mede)verantwoordelijke voor de regelgeving met betrekking tot vuurwerk. In de volgende subparagrafen besteed ik de aandacht aan het falend beleid van de Directeur Materieel van de Koninklijke Landmacht (§3.2.1), de Rijksverkeersinspectie (§3.2.2), de Inspectiemilieuhygiëne (§3.2.3), de Arbeidsinspectie (§3.2.4) en de Wetgever (§3.2.5.).

§3.2.1. Het falend beleid van de Directeur Materieel van de Koninklijke Landmacht

In de eerste plaats had de Directeur Materieel van de Koninklijke Landmacht (DMKL) gefaald.

Zowel in het kader van de totstandkoming van de revisievergunning uit 1997 als in het kader van de totstandkoming van de tijdelijke veranderingsvergunning van 19 juli 1999 heeft er een rechtstreeks contact plaatsgevonden tussen de DMKL Directeur en het bedrijf SE Fireworks. Dit contact viel als onjuist te typeren voor zover dit contact had plaatsgevonden buiten het bevoegde gezag om.[9] 

Naar aanleiding van de controle op 10 juni 1998 had de DMKL al direct aan zowel de Gemeente als het bedrijf laten weten, dat zij tegen de uitbreiding van het aantal containers geen bezwaar had, mist deze uitbreiding in een vergunning werd vastgelegd. Er werd zodoende een toezegging gedaan aan het bedrijf, terwijl dit een aangelegenheid betrof waarover niet de DMKL, maar het bevoegd gezag had te beslissen.[10]

De advisering van het DMKL in het kader van de verlening van de revisievergunning uit 1997 was inhoudelijk onjuist.

Ten eerste, de DMKL had een zekere verantwoordelijkheid ten aanzien van onvolledigheid van de vergunningaanvraag. Toen de DMKL gevraagd werd om te adviseren naar aanleiding van de definitieve aanvraag en de ontwerpbeschikking, had zij moeten opvatten, dat er onvoldoende gegevens aanwezig waren over de aard van het opgeslagen vuurwerk. Naar aanleiding hiervan had de DMKL moeten aandringen op aanvulling van de vergunningaanvraag.

Ten tweede, de DMKL had verzuimd om in haar advies te vermelden welke interne afstanden er in acht genomen dienen te worden. Zodoende voldeed de revisievergunning van 22 april 1997 niet aan de richtlijnen uit het Handboek Milieuvergunningen 1997, maar was de DMKL wel op de hoogte van deze richtlijnen, aangezien zij zelf aan de wijzigingen van het Handboek had meegewerkt.

Ten derde, de DMKL was in haar advies van 10 februari 1997 ten onrechte akkoord gegaan met het laten vallen van de eis van brandwerendheid van de containers.[11]    

De advisering van het DMKL in het kader van de verlening van de tijdelijke veranderingsvergunning van 19 juli 1998 was onvolledig.

Ten eerste, de formele aanvraag bevatte geen informatie m.b.t. de aard van het opgeslagen vuurwerk, dientengevolge de DMKL in haar advies n.a.v. de aanvraag en de ontwerpbeschikking.

Ten tweede, haar verklaring van geen bezwaar m.b.t. de vergunning was onjuist. Zo bevatte het ontwerpbesluit geen voorschriften voor de opslag van vuurwerk in containers, ook niet waar het ging om de brandwerendheid van de containers. Eveneens was de op 23 februari 1999 geadviseerde handbediende sprinkler installatie voor de ompakruimte niet opgenomen in het ontwerpbesluit.

Ten derde, de DMKL had in haar advies ten onrechte niet gewezen op het feit, dat de vergunningaanvraag van 23 februari 1999 niet voldeed aan de voorschriften uit het Handboek Milieuvergunningen 1997 m.b.t. de in acht te nemen interne afstanden.[12]

§3.2.2. Het falend beleid van de Rijksverkeersinspectie

In de tweede plaats had de Rijksverkeersinspectie (RVI) gefaald. De RVI was belast met de vergunningverlening in het kader van de regelgeving voor het afleveren en het bergen van vuurwerk, alsmede met het toezicht op de naleving van deze regelgeving en die voor het vervoer van stoffen als vuurwerk.[13]

Vanaf de inwerkingtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen op 1 augustus 1996 beschikte het bedrijf SE Fireworks niet meer over geldige vergunningen voor het afleveren en bergen van vuurwerk. De RVI daarentegen, heeft nagelaten om tijdig maatregelen te nemen teneinde deze situatie te beëindigen. Pas op 15 januari 1998 had de RVI het bedrijf hieromtrent aangeschreven, maar heeft er vervolgens echter niet actief op toegezien dat er ook snel nieuwe vergunningaanvragen zouden komen. Dientengevolge diende SE Fireworks pas op 5 oktober 1998 resp. 22 april 1999 nieuwe aanvraag in, en beschikte het pas vanaf 8 oktober 1998 resp. 3 juni 1999 weer over een geldige afleveringsvergunning en een geldige “bezigingsvergunning”.[14]

Bij een controle op 12 oktober 1999 constateerde de RVI, dat zo’n 30 ton méér vuurwerk aanwezig was dan de ingevolge de vigerende milieuvergunning maximaal toegestane hoeveelheid, echter in het RVI-Rapport viel te lezen, dat geen onregelmatigheden waren geconstateerd.[15]    

§3.2.3. Het falend beleid van de Inspectie Milieuhygiëne

In de derde plaats had de Inspectie Milieuhygiëne (IMH) gefaald. De IMH had, als wettelijk adviseur, een algemene bevoegdheid tot het geven van advies aan het bevoegd gezag m.b.t. de uitvoering van de milieuwetgeving, en had daarnaast de bevoegdheid tot het houden van toezicht op individuele inrichtingen.[16] Gaande de jaren’80 en de jaren’90 was er gekozen voor een steeds meer terughoudend gebruik van deze bevoegdheden, en voor een zogenoemd tweede – lijnstoezicht in globale zin. Dientengevolge is de IMH voor de praktijk van de vergunningsverlening in individuele gevallen, en voor het toezicht op individuele inrichtingen steeds meer op de achtergrond geraakt.[17]

§3.2.4. Het falend beleid van de Arbeidsinspectie

In de vierde plaats had de Arbeidsinspectie gefaald. De betrokken inspecteur had zich niet specifiek voorbereid op het bezoek aan SE Fireworks op 25 juni 1997. Zo was bij hem niet vooraf bekend dat het bezoek een vuurwerkbedrijf betrof met specifieke risico’s die buiten z’n deskundigheidsgebied lagen. Ook werden er op de desbetreffende dag geen werkzaamheden verricht. Zodoende had er dus besloten moeten worden tot een herinspectie, hetgeen niet was gedaan.

§3.2.5. Het falend beleid van de wetgever Ten slotte had de rijksoverheid gefaald in haar rol als medewetgever. Dit bleek o.a. uit het langdurig uitblijven van adequate regelgeving voor handelingen met professioneel vuurwerk.[18]


[1] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 39-40

[2] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 40

[3] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 40ev

[4] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 40ev

[5] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 47-50

[6] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 51

[7] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 45 en p. 51

[8] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 52

[9] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 67 en 68

[10] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 68

[11] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 68

[12] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 68ev

[13] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 70

[14] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 71

[15] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 71

[16] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 72

[17] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 72

[18] Commissie onderzoek vuurwerkramp (2001), p. 72 en 78

Leave a Reply:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *