Wat zijn de mogelijkheden van strafrechtelijke vervolging van de overheden in de zaak Enschede? – Deel 5

De niet-vervolging van de overheden nader belicht

Zowel het oordeel van de Almelose Rechtbank als het oordeel van het Arnhemse Hof vind ik in deze casus niet acceptabel en slecht onderbouwd. Om die reden zal ik hieronder de niet-vervolging van de overheden in de zaak Enschede nader belichten.

§5.1.    De niet-vervolging van de Rijksoverheden nader belicht

Allereerst wil ik ingaan op de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging van de Rijksoverheid en haar ambtenaren. Aan de hand van Vliegbasis Volkel  wordt door de beide rechterlijke instanties geoordeeld, dat de Rijksoverheid en haar ambtenaren zondermeer absolute immuniteit van strafvervolging genieten. Aan de hand van de volgende casus zal ik duidelijk maken, dat het oordeel van deze rechterlijke instanties te kort door de bocht is.

De eerste casus betreft de zaak Enschede. In deze zaak hadden ook onderdelen van de Rijksoverheid op een onjuiste wijze gehandeld. Tot deze onderdelen behoorde o.a. de DMKL. De DMKL fungeerde als wettelijk adviseur van het bevoegde gezag ter zake van aanvragen en vergunningen voor inrichtingen waarin ontplofbare stoffen waren opgeslagen. Als adviseur was de DMKL ernstig tekortgeschoten, omdat de advisering in het kader van de verlening van de revisievergunning uit 1997 onjuist was en omdat de advisering in het kader van de verlening van de tijdelijke veranderingsvergunning van 19 juli 1998 onvolledig was. Deze slechte adviezen hebben ertoe bijgedragen dat er op het terrein van SE Fireworks een zeer gevaarlijke situatie ontstond, die uiteindelijk resulteerde in een verschrikkelijke vuurwerkramp. Ten gevolge van deze vuurwerkramp kwamen 22 personen om het leven, raakten ongeveer 950 mensen gewond, en werd een complete woonwijk weggevaagd. De nabestaanden willen vervolgens een strafzaak aanspannen tegen o.a. de DMKL.

In de huidige situatie is het niet mogelijk om een strafzaak aan te spannen tegen de DMKL, omdat door de rechter aan de hand van het arrest Vliegbasis Volkel zou worden geoordeeld, dat de DMKL en haar verantwoordelijke ambtenaren absolute immuniteit van strafvervolging genieten. Immers het uitgangspunt is, dat de handelingen van de Staat, dus ook van de DMKL als rijksoverheidsinstelling, strekken tot behartiging van het algemeen belang. Het algemeen belang is in dit geval de zorg voor de veilige opslag van ontplofbare stoffen. Tot de behartiging van dit belang kan de Staat door wet – en regelgeving, bestuur, feitelijke gedragingen of anderszins zich alle aangelegenheden aantrekken. Voor de onjuiste advisering moest de Minister van Defensie verantwoording afleggen aan de Staten-Generaal. Hij kon echter niet strafrechtelijk worden vervolgd voor de fouten van de DMKL.

De situatie zou echter anders zijn geweest wanneer de DMKL een geprivatiseerd adviesbureau zou zijn geweest. Dit zou dan betekenen dat de verantwoordelijke ambtenaar alsmede de DMKL in het geheel strafrechtelijk kunnen worden vervolgd voor hun onjuiste adviezen.

De tweede (door mij zelf verzonnen) casus gaat over een Ontspoorde Gloortrein, en dient ter verduidelijking van de hierboven behandelde casus.

Apeldoorn is een grote stad met meer dan 200.000 inwoners. Dwars door het centrum van deze stad loopt een spoorlijn, waar niet alleen Intercity’s maar ook een gloortrein Rotterdam – Enschede overheen dendert. Deze gloortransport vindt bijna om de drie dagen plaats. Veronderstel dat deze gloortrein ontspoort, en dat daarbij alle gloor uit de tanken van de treinstellen vrijkomt. Dit zou resulteren in een ramp waarbij er opslag meer dan 30.000 doden betreurd worden. De nabestaanden spannen een strafzaak aan tegen de vervoerder van de gloortransport. De vervoerder van deze gloortransport is o.a. NS Cargo.

Vandaag de dag is NS Cargo een private onderneming, die eerder viel onder de reikwijdte van de Rijksoverheid. Dit betekent dat vandaag de dag de verantwoordelijke machinist of degene die verantwoordelijk is voor het seinen, en NS Cargo in het geheel strafrechtelijk kunnen worden vervolgd voor hun foute handelingen.

Dit was geheel anders, wanneer de NS Cargo een staatsonderneming was gebleven. In dat geval zou door de rechter aan de hand van Vliegbasis Volkel worden geoordeeld, dat NS – Cargo en haar verantwoordelijke medewerkers (in dit geval rijksambtenaren) absolute immuniteit genieten van strafvervolging. Immers het uitgangspunt is, dat de handelingen van de staat, dus ook van een Rijksoverheidsinstelling, strekken tot de behartiging van het algemeen belang. Het algemeen belang in deze casus is naar alle waarschijnlijkheid het hooghouden van het Nederlandse Economisch – en Wetenschappelijk potentieel in de rest van de wereld. Tot de behartiging van dit belang kan de Staat door wet – en regelgeving, bestuur, feitelijke gedragingen of anderszins zich alle aangelegenheden aantrekken. Voor het ontsporen van de gloortrein zouden de Minister – en Staatssecretaris van Verkeer – en Waterstaat verantwoording verschuldigd zijn aan de Staten-Generaal. Zij kunnen echter niet strafrechtelijk worden vervolgd voor de fouten van de desbetreffende staatsonderneming.

Met het bovenstaande heb ik getracht te illustreren, dat de vaste rechtspraak dat de Rijksoverheid en haar ambtenaren zonder meer absolute immuniteit van strafvervolging genieten, strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Immers, in de tijd dat NS Cargo nog viel onder de paraplu van de staatsonderneming NS werden er ook gloortransporten gereden door private railondernemingen. Een crash van een gloortrein van een private railonderneming zou, in tegenstelling tot een crash van een gloortrein van de toenmalige staatsonderneming NS, leiden tot een strafrechtelijke vervolging van de private railonderneming en haar verantwoordelijke medewerkers.

In de hierboven behandelde casus heb ik laten zien, dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer de rechterlijke instanties conform de uitspraak van de Hoge Raad in het arrest Vliegbasis Volkel blijven oordelen, dat de Staat der Nederlanden, en dus alle Rijksoverheidsinstanties, ten alle tijden immuniteit van strafvervolging genieten. De argumenten voor de immuniteit van de Staat der Nederlanden voor strafrechtelijke vervolgbaarheid zijn niet langer houdbaar.

Ten eerste noem ik het argument, dat de scheiding der machten zich zou verzetten tegen een vervolging van de staat. Volgens Corstens valt niet in te zien waarom het bestuur als het ware boven de strafwet zou staan. ‘De bestuursrechter, de civiele rechter en de Europese rechter toetsen zijn gedragingen wel.’ Hij vraagt zich vervolgens af waarom dat niet als strijdig met het beginsel van de machtenscheiding en dat van de politieke verantwoordelijkheid wordt gezien. Volgens hem gaat het bij de rechtsspraak waarin de Staat als partij betrokken is juist om controle op de macht van de Staat, dientengevolge de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat juist bijdraagt aan het stelsel van check and balances waaraan de machtsuitoefening door de Staat is onderworpen. ‘Als men geen concurrentie wil tussen rechterlijke en politieke controle, is controle door andere rechters dan de strafrechter ook niet passend.’ Bovendien vindt Corstens dat er dan ook geen plaats zou zijn voor vervolgbaarheid van de bewindslieden.[1]

Ten tweede noem ik het vest-broekzak argument. Dit argument gaat er evenwel ten onrechte van uit dat de overheid een één en ondeelbaar lichaam is. Volgens De lange en Hendriks is het tegendeel het geval, omdat er op gewezen kan worden dat ook afzonderlijke overheden (of onderdelen daarvan) hun eigen budgettering hebben, waar een eventuele boete weldegelijk op drukt.[2]

Al met al zowel het oordeel van de Almelose Rechtbank als het oordeel van het Arnhemse Hof dat de Rijksoverheidsorganen en hun ambtenaren sowieso immuniteit van strafvervolging genieten, was misschien iets te kort door de bocht.

§5.2.    De niet-vervolging van Gemeente Enschede nader belicht

In de tweede plaats wil ik ingaan op de strafrechtelijke vervolging van Gemeente Enschede en haar ambtenaren. Aan de hand van de arresten Pikmeer II en Pikmeer I wordt door de twee rechterlijke instanties bepaald, dat Gemeente Enschede en haar verantwoordelijke ambtenaren niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, en dat zodoende O.M.’s beslissing tot niet vervolging juist was. Volgens het O.M. houdt het verwijt dat Gemeente Enschede kan worden gemaakt verband met de plicht va de Gemeente tot het voeren van “een deugdelijk vergunningenbeleid, het uitoefenen van adequaat toezicht op de naleving en daadwerkelijke handhaving van wet – en regelgeving.”  

Ik ben van mening, dat het O.M.’beslissing blijk geeft van een onvoldoende inzicht in de specifieke taken die door Gemeente Enschede zijn uitgeoefend of juist niet zijn uitgeoefend. Van al die taken dient te worden bepaald of dat al dan niet exclusieve bestuurstaken zijn. Volgens Van der Jagt is de afbakening van wat een exclusieve bestuurstaak is een zeer tijd gebonden kwestie. ‘Duidelijk is dat maar zeer weinig taken echt als exclusief kunnen worden aangemerkt. Het aan het afgeven van de vergunning voorafgaande proces, bijvoorbeeld het onderzoek of de aanvrager voor de vergunning in aanmerking komt, behoort al niet meer tot de exclusieve bestuurstaak. Dat voorwerk kan namelijk door anderen dan de overheid worden uitgevoerd. De exclusiviteit betreft dus alleen de formele beslissing van de vergunningverlening.’ [3] Volgens Corstens zijn politietaken, toezichttaken en handhavingstaken geen exclusieve bestuurstaken.[4] Dientengevolge kan worden vastgesteld, dat een groot aantal strafrechtelijk relevante gedragingen van Gemeente Enschede voorafgaande aan de vuurwerkramp de specifieke vergunningverlening niet betroffen.’

Het verwijt, dat Gemeente Enschede kan worden gemaakt ziet juist op het niet verlenen van vergunningen dan wel het niet handhaven van wel verleende vergunningen, dan wel het onvoldoende toezicht houden op de naleving van vergunningen, dan wel onzorgvuldigheid bij de controle op de aanvraag van vergunningen. Volgens critici zijn dit geen exclusieve bestuurstaken. Eveneens ziet het verwijt op het handelen van Gemeente Enschede, dat niets met vergunning verlening te maken heeft gehad. Het draait dan vooral om beslissingen waarvoor een wettelijke grondslag ontbrak. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de toestemming van de Gemeente om zogenoemde MAVO-boxen alsmede zeecontainers te plaatsen. Voor beiden had een bouwvergunning moeten worden aangevraagd (die overigens had moeten worden geweigerd als die wel was aangevraagd) hetgeen echter niet was gebeurd, terwijl Gemeente Enschede wel toestemming tot plaatsen gaf. Niet mag worden vergeten, dat de plaatsing van de MAVO-boxen en de plaatsing van de zeecontainers een buitengewoon belangrijke rol gespeeld hebben in het ontstaan en de omvang van de vuurwerkramp.


[1] Noot Corstens ( punt 5) bij  HR 25 januari 1994, NJ 1994, 598

[2] Hendriks en De Lange (1998), p. 42-43

[3] Van der Jagt (2000), p. 148 en 149

[4]  Van der Jagt (2000), Bijlage 1, vraag 3

Leave a Reply:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *