Wet BIBOB

Bibob staat voor ‘bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur’. Deze wet geeft bestuursorganen – waaronder de burgemeester – een instrument ter voorkoming en bestrijding van (georganiseerde) criminaliteit. Het voornaamste doel is het voorkomen dat de overheid ongewild criminaliteit faciliteert, bijvoorbeeld bij het witwassen van geld. Een bestuursorgaan kan volgens deze wet besluiten een vergunning in te trekken of te weigeren indien het vermoeden bestaat dat de aanvragers of houders van de vergunning deze zullen gebruiken voor het plegen van strafbare feiten. Ook bestaat de mogelijkheid om vergunningen alleen onder bepaalde voorwaarden te verstrekken. Naast vergunningen is het Bibob-instrument in te zetten voor subsidies, vastgoedtransacties en aanbestedingen.

Het bestuursorgaan kan via vastgestelde formulieren het Landelijk Bureau Bibob vragen om een advies uit te brengen over het gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Voorafgaand aan de adviesaanvraag moet het bestuursorgaan zelf beoordelen of er geen bestaande weigeringsgronden zijn of andere instrumenten ingezet kunnen worden. Ook moet het bestuursorgaan onderzoeken of zij zelfstandig de Wet Bibob kan toepassen. Daarnaast kan het bestuursorgaan vóór de adviesaanvraag bij het Landelijk Bureau Bibob opvragen of over de betrokkene in de afgelopen twee jaar eerder een advies is uitgebracht, en zo ja, welke conclusie het advies had (ernstig gevaar, mindere mate van gevaar, geen gevaar). Als het adviesverzoek niet tot een advies heeft geleid, kan het Landelijk Bureau Bibob dat ook melden. De gegevens kunnen een indicatie zijn voor het starten van een Bibob-onderzoek, maar zijn niet voldoende om direct tot een negatieve beslissing over te gaan. Het bestuursorgaan zal eerst opnieuw het eigen onderzoek moeten uitvoeren en zo nodig opnieuw een Bibob-advies moeten aanvragen. De officier van justitie heeft een ondersteunende rol: hij mag een bestuursorgaan laten weten dat het wenselijk is om een Bibob-advies aan te vragen over een bepaald persoon of bepaalde onderneming als die betrokken is bij strafbare feiten.

Voor de burgemeester is het Bibob-instrument met name van belang voor vergunningen:

  • ter bescherming van de gezondheid,
  • uit de Drank- en Horecawet,
  • uit de Wet op de kansspelautomaten,
  • die op grond van een gemeentelijke verordening verplicht zijn voor een inrichting of bedrijf,
  •  voor een seksbedrijf (artikel 9 Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden in de seksbranche, nog niet in werking getreden).

Het Landelijk Bureau Bibob verzamelt de benodigde gegevens van de aanvrager of vergunninghouder en stelt een advies op voor het bestuursorgaan. Elk advies wordt voorgelegd aan een Bibobofficier van justitie. Het advies van het Landelijk Bureau Bibob kan drie uitkomsten hebben (artikel 3 Wet Bibob): 1. er is geen sprake van een ernstige mate van gevaar; 2. er is sprake van een mindere mate van gevaar; 3. er is sprake van een ernstige mate van gevaar.

Bestuursorganen kunnen ook eigen onderzoek doen en extra informatie verkrijgen. Zo is het mogelijk dat bestuursorganen in een Bibob-zaak de beschikking krijgen over informatie van politie en justitie. De rechtstreekse verstrekking van justitiële gegevens, strafvorderlijke gegevens en politiegegevens door respectievelijk de Justitiële Informatiedienst, Openbaar Ministerie en politie is wel beperkt tot de verstrekking van gegevens van de betrokkene. Om informatie over een betrokkene (en diens (indirecte) bestuurders als het gaat om een rechtspersoon) op te vragen bij de Justitiële informatiedienst (Justid), dient het bestuursorgaan medewerkers – op naam – aan te wijzen die uit hoofde van hun functie gemachtigd zijn om een uittreksel uit de justitiële documentatie op te vragen.

Besluit tot weigering

Het is vervolgens aan het bestuursorgaan zelf om een besluit te nemen al dan niet op basis van het advies van Landelijk Bureau Bibob. Als een vergunning wordt geweigerd, is het vanwege de privacy van de aanvrager niet toegestaan om publiekelijk te vermelden op welke grond de vergunning is geweigerd. Uiteraard is het wel toegestaan om aan te geven wat de verschillende weigeringsgronden zijn die het Landelijk Bureau Bibob in zijn algemeenheid hanteert, waarbij in het midden wordt gelaten welke weigeringsgrond in het specifieke geval de doorslag gaf. De aanvrager heeft recht op een afschrift van het Bibob-advies, als het bestuursorgaan voornemens is een negatief besluit te nemen of voorschriften aan de vergunning te verbinden. Bij het verstrekken van het Bibob-advies moet het bestuursorgaan de betrokkene er duidelijk op wijzen dat hij een geheimhoudingsplicht heeft ten aanzien van de gegevens in het Bibob-advies. De burgemeester mag de uitkomsten van het Bibob-advies in de driehoek wel delen met de officier van justitie en de chef van de politie. Mocht het bestuursorgaan willen afwijken van het Bibob-advies dan geldt daarvoor een verzwaarde motiveringsplicht (artikel 3:50 Algemene wet bestuursrecht). Voordat het bestuursorgaan het Bibob-advies gebruikt voor de onderbouwing van het besluit, moet het ervan overtuigd zijn dat het Bibob-advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Dit is de zogenoemde vergewisplicht, die is vastgelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 27 februari 2008 (LJN: BC5265) de vergewisplicht voor een Bibob-advies nader uitgewerkt.

Leave a Reply:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *